Tijdens een masterclass vroeg ik een deelnemer, een teamleider met een indrukwekkend cv, om een minuut te spreken zonder ook maar één keer te versnellen. Na twintig seconden begon hij te zweten. Niet van de inhoud, die kende hij feilloos, maar van de stilte die hij moest laten vallen tussen zijn zinnen.
Dat ongemak is opvallend goed onderzocht. In hun boek Compelling People beschrijven Neffinger en Kohut hoe stemgebruik direct samenhangt met hoe wij status en geloofwaardigheid toekennen aan een spreker. Snel en ononderbroken praten wordt onbewust gelezen als onzekerheid, als iemand die bang is voor de stilte en die vult voordat iemand anders het kan doen. Een lager, trager tempo en bewuste pauzes worden juist gelezen als gezag, als iemand die de ruimte durft te nemen omdat hij weet dat wat hij zegt de moeite waard is. Dit patroon is stevig verankerd, het duikt op in onderzoek naar leiderschap, onderhandelen en zelfs rechtszaalgedrag.
Het interessante is dat de meeste mensen dit omdraaien zodra de druk toeneemt. Hoe spannender het moment, hoe sneller ze gaan praten, precies het tegenovergestelde van wat autoriteit uitstraalt. Terwijl een bewuste stilte na een belangrijk punt het publiek juist de tijd geeft om het te laten landen, en de spreker de tijd geeft om de volgende zin met controle te kiezen in plaats van uit reflex.